Tagarchief: Willem Vermandere

Steentje

1 November. Dit is de dag om ‘live’ of in gedachten een laatste rustplaats te bezoeken en te laten weten : ik ben er, ik denk nog aan je. Om het bewijs te leveren van iemands bestaan – en het feit dat diegene nooit zal zijn vergeten.

Dat kan met een bloemetje, of een kaarsje. Maar ook met een steentje.

Sinds Schindler’s List vind ik dit Joodse gebaar nog krachtiger.

Diep ontroerend, die schare survivors, die op weg gaat naar het graf van Oskar – om er elk op hun beurt een steentje op neer te leggen.  O, de symboliek hier achter !

Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde
Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten
ik leverde ’t bewijs van mijn bestaan
Omdat, door het verleggen van die steen
de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan

Proof of someone’s meaning …  Prachtig. Zo helemaal de levensmissie van Oskar Schindler…  !

En de verzuchting, denk ik, van iedereen die nog niet aan de zielenreis is begonnen …

 

——————————————————————————

Bronnen : De cursieve vetjes – van Bram Vermeulen – vond ik op Kanjerguusje,  in een reactie op het bericht van 21/08/2012. De titel van dit stuk is een verwijzing naar Steentje van Willem Vermandere, en het clipje komt uit Spielbergs epische Schindler’s List.

Smashing Pumpkins

 

Afb. Google

Halloween, dat was jaren een mislukt pompoen-experiment uit mijn jeugd. Te weten, een pompoen voor de deur, die implodeerde  vóór ie kon worden uitgesneden.

Na een desertie van dat formaat ben je uit de gratie, dat spreekt. Daarbovenop had ik niks met dames waarvan de houdbaarheidsdatum toch al wel een paar eeuwen was verstreken.

Om nog maar te zwijgen van hun onder stroom staande kapsel of hun door gaten ontsierde “eetkamer”. Brrr….! En echtigentechtig, Amazonezit, hoe doe je dat nou op ’n bezem?

Tijden veranderen. Nu stoor ik me vooral aan de portrettering van de zogenaamde broom-riders. Daarbij komt dat ik de Kelten best toffe jongens vind, ik van lichtjes hou en ik ondertussen een paar zieltjes mis. ’t Kan verkeren.

Geen bezwaar dus tegen een paar blitse theelichtjes. 

Zelf fabriceren zit er niet in, maar ik doe mijn (punt)hoed af voor de schitterende sculpturen die een pompoen in zich draagt !

Wat ik tegenwoordig wel maak, is pompoensoep. Niet meer de opgeleukte prefab-versie, maar the real thing.

Ik beken : I’m a pumpkin convert. De turn-over kwam op een doordeweekse zaterdag. Niet mijn beste, mag ik wel stellen.

Zo ééntje als in : “Ik ga naar de winkel en ik neem mee …”

Vééééééél meer boodschappen dan je dragen kunt. Onder het motto : efficiënt, want alles in één keer thuis. Ahum

Ik ga dus naar de winkel en ik neem ook nog mee : ergernis. Een heeeeeeeeeeeleboel ergernis.

Want  :  was mijn lijstje nou net niet een straat korter ? Tuurlijk wel, maar zo gaat dat met lijstjes die je maakt en vervolgens niet meeneemt. Ze nemen wraak door aanzienlijk langer te worden. Je portemonnee, daarentegen, is aardig gekort als je weer thuiskomt.

Dat thuiskomen, het is me wat.

Hiervoor moet je voorbij ergernis nummer 2 : een hele trits mensen die aan de kassa langs, op en liefst nog over je willen walsen, in aantallen die niet kunnen tippen aan die mensen die je voorrang gunnen. Pfiew, de file op de Brusselse Ring valt er bij in het niet …

Als deze trafiek zichzelf dan eindelijk heeft ontward, is het tijd voor ergernis nummer 3 : de lift. Of juister : een heerschap dat de ‘toegang tot’ verspert. Hier zeg je toch wat van ??? Zeker wel. Maar  : nog niet zo makkelijk als je terzelfdertijd je boodschappen in toom probeert te houden en maar wàt druk bent met je persoonlijke riolering afdichten.  Dàt is nog eens jongleren, geloof me.

Neem in één moeite door ook maar aan dat ik niet ben weggelegd voor loodgieterij.

Het bestaat niet dat Obstructor me niet heeft gezien, na al die steelse blikken opzij.

Niet alleen mijn waterreservoir, maar ook de maat is vol, wanneer ie doodleuk poneert dat ie geen lift gebruikt, en daarop fluks een klein elftal laat voorkruipen. Dat is ‘m, die spreekwoordelijk druppel. Ik ontplof en ga door het lint van de (ijzeren) zelfbeheersing.

Helemaal, als ik Girlnextdoor hoor verklaren : ” ’t Is een man, hij kan er niet aan doen.”

Bedoeld om te kalmeren, maar het werkt net andersom. Ammehoela ! Ik kan er niks mee, en laten we wel wezen, voor een man is het ook al geen reclame …

Proefondervindelijk : tegen iemand die woest is “rustig” zeggen : het werkt niet. Tenzij dan als rode lap. Pijnlijk.

Voor mij omdat de boosheid (openbaar) toeneemt en voor Girl omdat ze ten langen leste niet meer weet welke kant opkijken.

Dan valt haar oog op de bovenopliggende soepgroenten. “Wil je pompoenen ?” vraagt ze. Die zit ! Ik kan’t haar niet kwalijk nemen : zelfs zonder spiegel gok ik dat dat mijn “look” moet zijn.

Ik gier. Om haar geniale afleidingsmaneuver. Dat er geen blijkt te zijn. Want : 13 (!)kilo pompoenen schoten zomaar eventjes als paddestoelen bij haar uit de grond !

Al even zot als voor iets pietluttig uit je vel springen. Ach wat, who cares about reputation ?

Waarom niet eens proberen ? Dus. “Ik boor en ik kappe, ik boenk en ik dreun, ik klief en ik kerve, ik klop en ik kleun.” Net zolang tot de pompoen verleden tijd is, en de furie ook.

Proef op de som kan ik zeggen : Smashing pumpkins is lekker ! Je kan ze opeten, en je boosheid smelt er van weg …!

Happy Halloween !

Dwaallichtje

Afb. via Google

De dwaaltocht van mijn moeder in het Alzheimer-woud is ten einde. Ze is vertrokken naar ergens waar het hoofdelijke duister geen macht heeft.

Wij – mijn vader en ik – gaan ook op tocht. Naar het Land of Sorrow. De paden zijn bekend. Een labyrint van tristesse, met – nu nog ver – haar dwaallichtje dat de weg uit verdriet wijst.

Opnieuw op reis, met ingelopen schoenen, dezelfde indrukken** en bekend gezelschap – verdriet en troost.

Mooi, maar moeilijk. Opnieuw.

Noodgewongen op reis doorheen het land van de troostelozen, is dit wat me opvalt als het over troost gaat.

Troost is universeel. Van de Neanderthaler tot de mens nu, iedereen krijgt er mee te maken. Je zou dus denken dat we al tijd genoeg hebben gehad om te oefenen.

Toch blijft het moeilijk. Hoe pak je het aan ? Wat is het beste ? Welke maatschappij brengt het makkelijkst dit vers * in de praktijk ?

Kom dan bie mie om je te warmen
‘k maak een kamer voor u gereed
‘k zal u wiegen in mijn armen
‘k zal u duiken in mijn kleed

De Neanderthaler, die  – niet gehinderd door taal – vast niet piekerde over de vraag of ie nou wel de juiste woorden had gezegd ?

Of de Moderne, die onder zoveel communicatiemiddelen bedolven wordt, dat ie al lang niet meer toekomt aan een écht gesprek over moeilijke dingen. Al helemaal niet in de taal die je voor troost toch wel nodig hebt.

De maatschappij verhardt, klinkt het. Kan wel zijn, maar het leven als Neanderthaler was nou ook niet direct “a walk in the park”.

De haast waarmee tegenwoordig alles gaat – ook verdriet hebben en er weer bovenop raken – maakt het allesbehalve makkelijker.

Om nog te zwijgen van de angst voor de confrontatie met verdriet.

Troost, dat is verdriet onder ogen zien, het je inbeelden, voorstellen, en toch over de angst stappen dat het jou (ook) zal treffen. 

Troost is ook veelzijdig. Want je kan diegene zijn die troost behoeft. Of diegene die troost. Of allebei tegelijk.

Troost is,  net als all things that matter in life, veelvormig. Troost bezit Egidiuskwaliteiten.

Misschien is het die arm die je naar zich toetrekt, om de wereld even buiten te sluiten en zo ruimte te maken voor je verdriet.

Misschien is het de zakdoek, aangereikt op het moment dat je de weg naar de jouwe kwijt bent in een tranenzee. 

Misschien is  het een kopje koffie bij een gesprek over, of juist zwijgen bij dat bakje troost. Samen, dat dan weer wel. 

Of misschien is het bloggen. Omdat dat een vorm van praten is die je kan oppakken of laten rusten. Praten zonder moet, maar met bijzonder steunende reacties. Een vorm van schrijven ook, die helpt om de chaos in je hoofd te stroomlijnen.

Troost is ook onverwacht.

Het zit in woorden en gebaren verpakt die je soms pas na enige tijd als troostrijk herkent. Soms van mensen waarvan je het absoluut niet had gedacht. Dat maakt troost moeilijk,  maar mooi.

Mooi, want troost geeft steun. Helpt een brug te slaan. Over verdriet heen.

En dat maakt het de moeite waard om de kunst van de vertroosting te blijven (be)oefenen !

Nog even zeggen, beste lezers, hoe goed jullie reacties doen in deze tijd.  Een warm dankjewel voor jullie steunbetuigingen. Jullie zijn stuk voor stuk geweldig !

———————————

* Het origineel is van West-Vlaming Willem Vermandere, van wie ik jammer genoeg geen volledig fragment kan vinden.   Maar  : de vertolking van Herman van Veen mag er ook zijn.

Update : Uit onderstaand reactievak blijkt echter  het succes van Menck.

** : N.B. Deze column is een bewerking van een eerder verschenen stuk op Ariadnesdraad met troost als topic.

Witte Rook

Witte rook uit de Sixtijnse kapel. foto Alberto Pizzoli

Afbeelding via Google.

Cupido heeft onverwacht zijn portie aandacht meer dan gehad, en Ariadnesdraad daarentegen bijster weinig.

Ach, ’t zullen zeker die hogere sferen wel wezen waar het ventje in toeft.

Net als de rest van de wereld, lijkt het, de afgelopen weekjes.

Maar, om het met Franciscus I te zeggen : hier ben ik dan .

De Geest (der inspiratie) zorgde voor Witte Rook. Echtigentechig. Ook bij mezelf.

In een tijd waarin niet de broden en de vissen, maar de rookmelders zich wonderbaarlijk vermenigvuldigen – idem dito met de zenuwcrises als zulk  een onding voor de tigste keer je gehoor met een snerpend “ieeeeeeeeeeeee” aan stukjes scheurt en je nadien maar niet kunt bedenken hoe je het kunt laten ophouden met rinkelen in je hoofd – kijken we met zijn allen naar een Romeinse schoorsteen.

We kijken, kijken … en wachten net zo lang tot ons haar, niet langer vrolijk, erbij neer valt. Oftewel, tot er  “witte rook”  komt. Daarna bellen we niet de brandweer, maar luiden we de klokken. Paradox.

Oubolligheid mag dan wel de middle name van het Vaticaan zijn, op de kar van abdiceren (Beatrix), kronen (Nobelprijs EU), tronen (Willem-Alexander, strakjes), belonen (veeeeeel later, met rijstpap en gouden lepeltjes) en installeren zijn de “langgerokten” wél gesprongen. Tot zover de trendyness.

Habemus papam is dan al gelukt, maar die gaudium magnum* … da’s nog een ander paar pauselijke mouwen, me dunkt … it’s in the eye of the beholder.

Het kan aan mijn vrouwelijk oog liggen, maar ik zeg dat de afschaffing van het celibaat net zolang gaat duren als de tijd die nodig was om het in te voeren. Vermenigvuldig dat millennium gerust nog een paar keer als je het hebt over vrouwelijk priesterschap.

Dat zal zijn voor als de wereld – met man en muis – is vergaan en geen hond nog interesse heeft, wegens andere dingen aan het hoofd.

Wie wil er nou de hond in het kegelspel zijn?

Geëmancipeerd als ik ben, heb ik iets van : “niet warm, niet willen”. Vrouwen kunnen even goed in een te lange rok rondlopen als mannen. Of aan struisvogelpolitiek doen. Of uitspraken doen waarvan je echte tanden je uit de mond vallen. Hebben er evenveel recht op. Maar niet als noodoplossing, natuurlijk. 

Hoe de Geest ook zijn best doet om dat in het oor van de kerkleiders te blazen, het is nog niet zo ver. Nog geen sede vacante voor dames. Tja, de rook bemoeilijkt de transmissie, waarschijnlijk. Het is nog pontificaal njet in plaats van Amen.

We moeten blij zijn met kleine dingen.

Met een paus dus die niet “Paus de elf-en-dertigste” wil gaan zijn maar weer lekker gewoon bij één begint, die elegant nét niet over zijn eigen voeten valt en er toch niet de kluts bij kwijtraakt, en die in zijn gesprekken goeie middag, goeie avond en smakelijk eten incorporeert als normale frases.

Recht is recht : het deed mijn buis van Eustachius plezier. Jaaha ! Het was ook al weer veel te lang geleden.

De krakkemikkige toestand waarin Johannes Paulus II zich in zijn laatste jaren bevond, maakte het on-mo-ge-lijk wat dan ook van zijn discours te verstaan. In om het even welke taal.

En Benedictus, hoewel zijn naam ook wat zegt over goed je woord kunnen doen, stond zo strak tegenover een menigte dat het zelfs een Romeinse veldheer nog zou doen schuddekoppen …

Nu de rhetorica weer naar een ander niveau is getild kan ik maar hopen dat de rtt tussen God & Co** en de Heilige Vader weer gaat rinkelen … Wat zeg ik, roodgloeiend komt te staan.

In afwachting, want wonderen zijn niet van de rapste, is er hier gaudium magnum over de terugkeer van de inspiratie.

Habemus een blogstuk !

Vivat ! (en bedankt om te komen kijken, ook al stond er steeds weer hetzelfde)

___________________________________________________

* gaudium magnum : met grote vreugde

** God en Co : ik kon jammer genoeg geen geluidsfragment vinden. Maar ook de tekst is de moeite en brandend actueel !

De simpele zanger is een grote meneer

Zei ik in mijn vorige stukje nog dat ik hoopte dat de Geest me inspiratie zou sturen ? Nou, de sakkerse schelm heeft zijn kat gestuurd. Mijn ‘little grey cells’ seinden niets door. Behalve dan een wit blad met ‘geen inspiratie’ .

Ze wilden zon, zee en strand. Of toch minstens een terrasje om hun dorst te lessen …

Zo ’n hoofd alleen op een terrasje, da’s geen zicht, dus ben ik maar gevolgd…

Op een Pinksterzondag bij zomerweer snoof ik dus de geur van goed weer op, leed zeker geen kou en dacht : hier is mijn hart, deze stad is van mij.

’t Kan het gebrek aan zwarte thee geweest zijn, maar die Duvelse inspiratie kwam maar niet. Nog niet eens het kleinste ideetje voor een concept… Snif !

Tenminste, dat dácht ik. Maar : ik had de hint van Meneertje Geest niet begrepen.

Toen ik ’s avonds nog steeds in het inspirationele duister tastte, herinnerde diezelfde Geest zich weer zijn originele roeping en deed bij mij een lampje branden.

Tja, het zal een spaarlamp geweest zijn, denk ik.

Maar goed. De hint, die ik eerst niet vatte, bestond uit klank en beeld.

Want wat zie ik, als ik gewapend met m’n zapper de jacht op een late nieuwsflard inzet ? Iets veel beters dan het journaal. Ik zie de tv-compilatie van de Nekka-nacht 2012.

Dit Antwerpse initiatief, rond Nederlandse KleinKunst heeft elk jaar een centrale gast, die dan op zijn beurt weer een aantal mensen mag inviteren om liedjes uit  dat eregast-repertoire te vertolken.

Dit jaar was Willem Vermandere Nekka’s eregast. Ik ben al jaren fan van deze Vlaamsche bard. De manier waarop hij zijn gedachten en gevoelens kan omzetten in (gelaagde) vertellingskes en rijmseltjes, geflankeerd door doorvoelde muziek, vind ik weergaloos.

Vertelseltjes. Zo beschrijft Willem zijn werk, want hij vindt zichzelf een simpele zanger. Eerder een zegger dan een zinger. Maar verteld, gezongen of gespeeld, het klinkt allemaal.

Dat komt misschien omdat de teksten body hebben en emotievol gebracht worden.  Misschien ook omdat hij dicht bij zichzelf blijft. Het vorige leven van deze ex-kloosterling is immers nooit ver weg …!

Opvallend hoe deze man, die zich eerst buiten de wereld zette, diezelfde wereld zo scherp observeert en treffend beschrijft.

Met soms contesterende uitkomsten.

Denk hierbij maar aan Bange Blankeman of waarom niet, God en Co, waarin Willem zich luidop afvraagt waarom er nog geen een priesteresse is in de mannendictatuur, en zo het idee dat de vrouw enkel geschikt is als kokesse, of voor ’t blussen van ’t minnevuur …  aan de kaak stelt.

Maar terug naar Nekka nu, na deze pelgrimstocht van Vermandere-liedjes.

Jaa, ’t ware zeker een goe gedacht om Willem’s liedjes eens voor het voetlicht te plaatsen. Deze Nekka-twee* zijn echt aan mijn ribben blijven plakken.

 

 

Enjoy !

—————————————————————————————-

*N.B. : Nekka staat voor Nederlandse KleinKunst in Antwerpen. Volledigheidshalve moet gezegd dat De Stad tijdens Nekka 2012 zonder Walter de Buck werd uitgevoerd en dat de Onderweg-versie op dit blog die van Vermandere zelf is. De Piano-versie van Mira op Nekka is ook geslaagd, maar helaas heb ik hiervan geen filmpje teruggevonden van degelijke kwaliteit d.w.z. zonder interview-gekwek …